Blog Mama, mama, mamaaha?!

Februari 2016

Mama, mama, mama! Ik ben nog geen tel thuis, mag blij zijn als ik überhaupt mijn jas uit kan doen, voordat ik bestormd wordt met vragen en verhalen. Alles moet gedeeld en gevraagd worden en soms word ik daar knettergek van.

Wil ik even eten, zonder bij elke hap drie keer onderbroken te worden. Wil ik een gesprek met mijn man hebben, zonder elke zin in vijf stukjes te moeten hakken. Met drie kinderen is dat lastig. Ik probeer met man en macht deze stroom aan vragen en vertellen te temperen. Ik ben wel geïnteresseerd hoor, maar mag ik soms heel alsjeblieft mijn gedachten, mijn gesprek of mijn handeling afmaken, zonder dat er al meteen een file van vragen en verzoeken ontstaat? Dus doe ik wat veel moeders doen. Ik snauw: “Stop, mag ik even met je papa praten?”; “Kijk eens om je heen, zie je niet dat ik iets aan het doen ben?”; of: “Laat me! Ik ben toch bezig!?!”. Het is sfeerbevorderend noch effectief.

Ik heb een keer een blog gelezen over het fenomeen ‘vinger opsteken’. Dat als je kinderen altijd maar vingers laat opsteken als ze iets willen zeggen, je wel een overzichtelijk klasproces hebt. Maar dat er ook wat dingen verloren gaan c.q. niet geleerd worden:

Kinderen leren niet een groepsgesprek te voeren waarbij je aanvoelt hoe en wanneer je jouw woordje kunt doen;
Als je met een vinger opgestoken zit is eigenlijk al je aandacht bij je vinger en niet bij het gesprek wat ondertussen gaande is;
Als je eenmaal aan de beurt bent, is wat je te zeggen had vaak al achterhaald;
En last but not least: in de rest van de wereld werkt het niet met vinger opsteken!
Dus ik dacht: we kunnen wel allerlei regels invoeren om te zorgen dat ik ook eens een gesprek met mijn man kan afmaken. Of een mail kan schrijven, of op de wc kan zitten, zonder tegelijkertijd scheenbeschermers te moeten zoeken. Maar de vraag is of die regels werken. En de vraag is ook of ze mijn kinderen leren wat ze nodig hebben. Dus…..in plaats van de ‘thuis-equivalent’ van het vinger-opsteken in te voeren, informeren we bij de kids hoe ze weten, wanneer ze in een gesprek kunnen instappen. Hoe ze kunnen zien, of er plek is voor hun opmerking. Hoe ze kunnen aangeven, dat ze iets willen zeggen, zonder meteen het gesprek over te nemen.

Dingen die volwassenen ‘weten’, zonder dat we ons daar echt bewust van zijn. Ga maar na, hoe neem jij de leiding in een gesprek over? Hoe voeg jij in als twee mensen aan het kletsen zijn? Hoe krijg jij het woord in een vergadering zonder je hand op te steken?

Ik ken het zo van mezelf. Dat ik in gedachten ben en vanuit die gedachte begin ik gewoon tegen de mensen om me heen aan te lullen. Ik sla het stukje over van om me heen kijken of waar andere mensen eigenlijk mee bezig zijn. Ik begin gewoon te praten. Dat heeft al heel wat momenten van ongemak gegeven, dat ik halverwege ontdekte eigenlijk volledig de plank mis te slaan. De anderen waren totaal niet waar ik was, in spreekwoordelijke zin natuurlijk. Ik heb nooit geleerd subtiel in te voegen. Waarschijnlijk omdat niemand op het idee kwam, dat ik dat zou moeten leren. Zoiets kan je gewoon. Nou ik kon dat dus niet en heb dat pas veel later geleerd!

Met als gevolg, dat ik altijd wel voelde dat ik sociaal een mismatch maakte, maar er niet de vinger op kon leggen waar dat ‘m in zit. Dus we oefenen. We oefenen met zachtjes inbreken in een gesprek. We oefenen met non- verbaal aangeven dat je mee wil doen in de conversatie. We oefenen ook in wachten zonder gefrustreerd te raken. We oefenen dingen die sociaal het verschil maken, maar waarvan we vaak vinden dat mensen dat ‘gewoon’ moeten kunnen.

Of het werkt? Weet ik nog niet. Maar het voelt als een betere optie, dan mijn kinderen te temmen met regels (als volwassenen praten, hou jij je mond. Leuke regel maar werkt niet). Minstens een van mijn drie kinderen heeft gewoon nodig dat je impliciete gedragsregels expliciet maakt. En eigenlijk vind ik dat heel leuk, al was het maar omdat ik weer een stukje heb!

Cathelijne Wildervanck